Oud.

Oud

Je snuit is helemaal grijs geworden, je oogleden hangen steeds meer. Het kost je zeker vijf minuten om overeind te komen. En ‘s avonds, als het kouder wordt, heb je een dekje nodig om je lichaam op temperatuur te houden. Voor een boxer ben je behoorlijk op leeftijd.

Elke avond maken we hetzelfde rondje. Jij bepaalt het tempo, jij bepaalt de route. Soms raak je de weg kwijt en lopen we hetzelfde straatje drie keer. Het geeft niets, ik loop met je mee.

In de laatste weken sukkel je steeds naar het oude huis. Het huis waar we jaren geleden vandaan verhuisden. Dan sta je daar bij de voordeur en kijkt. Ik zie de verwarring in je ogen. Zachtjes lok ik je mee, naar de overkant van de straat, naar het huis waar al weer zes jaar je mandje staat.

De staar in je ogen zorgt ervoor dat je struikelt over stoeprandjes. Reclameborden op het plein bij de winkels zijn ook geen succes. Je ziet ze soms gewoon over het hoofd.

Een half jaartje geleden liep je nog naast de fiets. Rustig en kalmpjes maar het ging nog prima. Tot de dag van je eerste epilepsie aanval. Geen idee wat de trigger is geweest. In mijn ooghoek zie ik je over de kop slaan. Drie keer en dan lig je stil. Ik gooi mijn fiets aan de kant. Je poten trillen, je ogen draaien weg. Spontaan laat je je plas lopen en er komt schuim uit je mond. Huilend buig ik over je heen. Je grijze kop aaiend. Paniek borrelt omhoog. Hij zal toch niet ter plekke dood gaan? Ik kijk om mij heen. Er stopt een auto, mensen met fietsen stappen af. “Kan ik helpen?” hoor ik ze zeggen. Ik kan niets meer zeggen. Snikkend schud ik mijn hoofd. Laat hem maar liggen, denk ik. Er komt een mevrouw voorbij met een herder. “Ga weg” roep ik tegen haar, “hij haat herders!” Maar mijn Toby reageert helemaal niet op haar hond.

Met mijn vingers pluk ik mijn telefoon uit mijn broekzak. Ik heb moeite om de juiste knoppen te vinden. Mijn handen trillen vreselijk. Ik bel mijn echtgenoot. Snikkend vertel ik waar ik sta en waar jij ligt. “Kom je ‘m halen?”

Nog geen vijf minuten later komt mijn oude Opel het gras op rijden. En jouw koppie gaat omhoog. Het trillen is opgehouden. De autodeur gaat open. Mijn echtgenoot stapt uit en maakt de achterklep los. Langzaam waggel jij overeind. Eerst de voorpoten, dan de achterpoten. Je sjokt naar de auto. Het vervoermiddel waar je zo graag in rijdt.

Door mijn tranen heen, zie ik je gaan. Je loopt weer, de aanval is voorbij. Samen met mijn echtgenoot til ik je in de auto. De mevrouw met de herder zegt, “ik breng je fiets wel naar huis, ga maar met je hond mee.”Ik knik haar dankbaar toe en vergeef haar zachtjes dat ze een herder heeft……

Nu zijn we een half jaar verder. De epilepsie-aanvallen zijn steeds vaker gekomen. Soms kort durend, soms iets langer. Elke keer kom je er weer boven op, maar je krachten nemen zienderogen af. Je valt nu bijna dagelijks om. Je eetlust neemt ook af.

Het is zondagmiddag, een prachtige zomerdag. Met mijn gezin maak ik de beslissing. Dit wordt je laatste dag. Een dag vol verwennen, veel aaien en heerlijk liggen op schoot. Morgen laat ik je gaan, want ik gun je een hondwaardig afscheid.

Als ik ‘s ochtends wakker wordt, bel ik de dierenarts. “Natuurlijk”, zegt hij, “ik kom er aan.” Op schoot bij mijn oudste zoon, lig je in de tuin, nog genietend van het zonnetje en de aandacht. Langzaam slaap je in. Mijn grote stoere vent, mijn allerliefste trouwste vriend. Ik laat je gaan. Het is goed zo.