Mijn held!

Mijn held!

Schat, ik fiets nog even naar de sporthal. Ik neem de hond wel mee.” Het is een maandagavond, de volleybaltrainingen zijn volop aan de gang. “Pas je goed op? Het is al zo vroeg donker buiten,” roept mijn echtgenoot vanuit zijn werkkamer. “Tuurlijk, ik heb BoRies toch bij mij”. “Ja,” lacht mijn echtgenoot, “daar ben ik juist zo bang voor”.

BoRies is mijn derde boxerreu. Van de drie is hij niet de stoerste, sterker nog, het is een boxer in vermomming. Hij ziet er uit als een boxer, goed gespierd, mooi gestroomde vacht, geweldige platte snuit, maar zijn karakter…… Vreselijk lief uiteraard, maar de sulligheid ten top. Zodra er iets gebeurd wat hij niet begrijpt (en dat gebeurd nogal vaak) gaat hij zitten. Direct. Overal. En hij blijft zitten, totdat het kwartje begint te rollen in de hersenpan en zijn enige cel in zijn hersenen heeft verwerkt wat hij net heeft gezien. Als hij zich bedreigd voelt, en ook dat gebeurd best vaak, dat heeft hij twee trucjes. Op zijn rug gaan liggen en dood spelen of er vandoor gaan. Zijn vrouwtje in opperste verbazing achterlatend.

Kom op BoRies, hup in de poten. Hijs je luie kont uit de mand. We gaan naar de sporthal.” Het laatste woord doet wonderen. Zijn koppie gaat schuin. Je ziet hem denken. Heb ik het goed gehoord, zei de baas sporthal? De ultieme ballenbak? Met al die volleyballen die om mijn oren vliegen?

Sporthal” roep ik nog een keer. BoRies zijn kop schiet nog verder omhoog. Zijn lijf rolt uit de mand en huppelend verdwijnt BoRies naar de voordeur. Ik hijs BoRies in zijn fietstuig. Knip zijn riem aan de ring wat boven op het tuig zit. Voor de veiligheid hang ik er nog een rood fietslampje aan. Klaar voor vertrek. Uit de garage haal ik de fiets. BoRies staat startklaar bij de stoeprand. Daar gaan we dan. De sporthal is een kilometer verderop. BoRies loopt in een gestaag tempo rechts naast de fiets. Af en toe kijkt hij omhoog naar mij. De blijdschap straalt van zijn snoet. Sporthal, sporthal, sporthal .

Ik krijg bijna geen tijd om de fiets neer te zetten. Ik laat de riem alvast schieten om de handen vrij te hebben om de fiets op slot te doen. BoRies is al naar binnen geglipt en schiet de gang door richting de zaal. Zo hier en daar doen mensen een stap op zij, want er dendert een 35 kilo wegende boxer door de gang. Zijn wangen flapperend in het rond. Zijn lange staart draaiend als een propeller. Ik grijp hem in zijn nekvel voordat hij het veld in rent. “Wachten!” roep ik met een flinke basstem, “Wachten”. Samen lopen we door naar het laatste veld. Daar plant ik de dikke boxerbillen op de tribune. Op zijn gemakje gaat BoRies zitten, het uitzicht over het veld vindt hij blijkbaar geweldig want een diep zucht van tevredenheid borrelt uit zijn keel. Sporthal! Hij laat zich begroeten door de vele bekenden. Kijkt met veel interesse naar bewegingen met de bal en probeert af en toe de spelers toe te juichen met een harde blaf.

Na een half uur heb ik mijn zaakjes geregeld. Ik haal BoRies weer op uit het derde zaaldeel. Hij is in slaap gevallen onder de tribune. Met één oog open om de deur in de gaten te houden. “Ga je mee? Ik ben klaar hier. Kom, we gaan naar huis.” Het enthousiasme om op te staan is een stuk minder. Huis is niet het goede woord om mijn boxer in de benen te krijgen. Bij de fiets aangekomen, knip ik het lampje aan zijn tuig weer aan. “Weet je wat Bories, we gaan nog even over het uitlaatterrein. Dit losloopgebied loopt vanaf de sporthal richting huis. Langs de snelweg ligt een beekje met daar omheen veel groen. Een heerlijke plek om te wandelen en bestempeld tot losloopgebied. Tussen de snelweg en het beekje staan rijen met bomen en struikjes. Er tussendoor kronkelt een wandelpad. Het gebied heeft drie bruggetjes om het beekje op diverse plekken over te steken. Ik kom er vaak, bijna elke dag, maar wel altijd overdag, want er zijn geen lantaarnpalen, geen andere vormen van verlichting en het is er dus aardedonker. Een ideale plek voor hangjongeren, zwervers en ander volk die graag op donkere plekken willen vertoeven.

Maar deze avond, gaan we het wagen. Ik ben op de fiets, met goede verlichting. Ik heb een stoere hond bij mij, die ook nog een lichtje op zijn tuig heeft. Mij kan niets gebeuren.

Dus daar gaan we. Ik fiets voorop. BoRies loopt los een metertje of vijf achter mij aan. Het tempo ligt niet hoog want elk grassprietje moet besnuffeld en beplast worden. BoRies is tenslotte een echte man!

Halverwege het uitlaatterrein, nader ik de middelste brug. Hmmm, sigarettenrook. Vers nog. Er loopt iemand voor mij, dat kan niet missen. In het schijnsel van mijn fiets zie ik niets. Dan zie ik net over de brug, aan mijn rechterkant het gloeiende puntje van een sigaret oplichten in het donker. Goed geroken dus. Wat nu, denk ik bij mijzelf. Gewoon doorfietsen en niets zeggen of toch maar herrie maken. Waar is toch mijn stoere viervoeter als ik hem nodig heb?

Goedenavond, ik ben op de fiets en heb mijn hond bij mij. Is dat een probleem?”roep ik tegen het sigarettenschijnsel. Ik zie het rode puntje van zo’n 1,75 cm naar beneden zakken. Waarschijnlijk haalt iemand de sigaret uit zijn mond. Achter mij hoor ik steeds luider het gehijg van mijn boxer. Slippend komt hij tot stilstand naast mijn fiets. Wooohwhoooowhooewhoo. Op volle oorlogssterkte stoot BoRies er een enorm kabaal uit. Breed opgepomt staat hij schuin voor mijn fiets. Whooowhoowoohooe. Nogmaals een oorverdovend geblaf. Ik kijk naar mijn hond. Van binnen gloei ik van trots. Nog nooit in zijn drie jarig leventje heeft BoRies zijn stoere kant laten zien. Nog nooit heeft hij aangeslagen als de bel van de voordeur ging. Nog nooit heeft hij voor mij gestaan als ik dacht dat er onraad was. Nog nooit. Maar hier staat hij dat! De waker van de baas, de beschermheer van zijn vrouwtje!

Dan zie ik de sigaret een stapje naar voren doen. Uit de struikjes komt een man met naast hem een teckel. Kef, doet de teckel. Eén keertje maar en niet eens zo hard. Kef!

Mijn grote stoere spierbundel bedenkt zich geen moment. Hij draait zich om, laat zijn staart zakken tot tussen zijn poten en met een noodvaart sprint hij de brug weer af richting de sporthal. Weg van het grote gevaar, weg van de teckel, weg van de bosjesman met sigaret. Zijn vrouwtje onbeschermd achterlatend. De man schiet in de lach. “Was dat je boxer? Toch niet BoRies hè? Nou, daar kan jij ook de oorlog niet mee winnen. Weet je wat, ik lijn mijn teckel wel even aan en loop de andere kant op, dan heb jij de gelegenheid om je boxer te gaan zoeken. Veel succes!”

En daar sta ik dan, op de brug, in de verte zie ik het rode lampje op het fietstuig van BoRies heen en weer dansen. Hij is al bijna aan het einde van het terrein. Er zit niets anders op dan mijn held op te halen. Vijf minuten later vind ik hem bij de ingang van de sporthal, bibberend en in elkaar gedoken. Het is ook zo eng in het donker met al die gevaarlijke teckels……………